Banken dominant maar alternatieve financiering groeit

Bancaire financiering is de kurk waar het bedrijfsleven op drijft. Het Centraal Planbureau (CPB, 2016) becijfert dat tachtig procent van de MKB-bedrijven in Nederland externe financiering nodig heeft. Bankkredieten maken tachtig (DNB, 2016) à negentig (Treur & Smid, 2015) procent uit van de totale externe financiering van het MKB.

Volgens de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB) hebben Nederlandse banken voor ongeveer 280 miljard euro aan leningen verstrekt aan bedrijven in Nederland. Bijna de helft (130 miljard) daarvan aan het MKB. Rabobank, ING en ABN AMRO hebben samen een marktaandeel van circa 85 procent in de totale bancaire financiering aan het MKB (ACM, 2015).

De dominante positie van de bankkredietlijn is een kracht en een zwakte tegelijk. De relaties tussen MKB-bedrijven en hun huisbank zijn duurzaam. Daardoor kan de bank kredietvragen en risico’s relatief goed beoordelen en monitoren (DNB 2016, blz. 32). Die vaste relatie leidt zodoende tot relatief veilige kredietverlening, maar ook tot afhankelijkheid bij het MKB (ACM, 2015; CPB 2016).

Het toegang garanderen van bedrijven tot financiering is een belangrijk element in het MKB-beleid. Bankkrediet is niet altijd op het gewenste moment beschikbaar. Bureau Bartels constateerde al in 1999 dat juist als het tegenzit, bedrijven minder toegang hebben tot krediet. Juist bedrijven met kredietbehoefte kunnen vaak te weinig zekerheden bieden. Het grootbedrijf beschikt in de regel over grotere buffers, en is daarom minder afhankelijk van de bank (DNB, 2016).

Vraag naar en aanbod van bankkrediet is ook conjunctuurgevoelig. De Nederlandsche Bank (Hebbink et al., 2014) concludeert dat in de kredietcrisis de vraag naar bancair krediet geconcentreerd was bij bedrijven met een verzwakte financiële positie. De reguliere kredietvraag was teruggelopen, en kleine bedrijven hadden minder toegang tot handelskrediet. Daardoor waren ze meer afhankelijk van bancaire kredietlijnen en roodstand. Banken zagen zich daarmee geconfronteerd met toenemende kredietrisico’s, en beperkten juist het kredietaanbod. Een structurele verandering in het aanbod is gelegen in strengere kapitaaleisen voor banken, wat kan leiden tot capaciteitsrestricties (ACM, 2015). De beschikbaarheid van alternatieven voor bankkrediet is daarom wezenlijk. Hoewel alternatieve financieringsvormen in opkomst zijn, blijven deze beperkt in omvang en reikwijdte (Treur & Van de Hei, 2016; DNB, 2016). De beperkte omvang van alternatieve financiering is voor een deel terug te voeren op marktfalen, ten gevolge van informatieasymmetrie: kleine bedrijven zijn vaak niet in staat om een adequaat inzicht te verschaffen in hun financiële positie, en beleggers ontberen –in tegenstelling tot banken– het inzicht om MKB-bedrijven te beoordelen (DNB 2016, blz. 31). Hierdoor is het financieringsproces van kleine bedrijven relatief duur, in veel gevallen zelfs dermate duur dat er niet gefinancierd wordt.

De vraag naar financiering

Ondernemingen hebben financiering nodig voor verschillende doelen, mede afhankelijk van de sector waarin ze opereren, de fase in de levenscyclus en de schaal van de activiteiten:

  • werkkapitaal, voor de financiële verplichtingen die voortvloeien uit de reguliere bedrijfsvoering, zoals personeelskosten (salarissen, sociale premies), huisvesting en inkoop van materialen;
  • investeringen in vaste activa, zoals machines en huisvesting;
  • investeringen in onzekere trajecten, zoals onderzoek en ontwikkeling;
  • herfinanciering van aflopende financieringen.

In 2015 heeft ruim een derde van de bedrijven in het midden- en kleinbedrijf zich op externe financiering georiënteerd (Panteia, 2016). Investeringen zijn voor ongeveer de helft daarvan de belangrijkste drijfveer. Voor ruim veertig procent van de zich oriënterende bedrijven –met andere woorden ongeveer dertien procent van het totaal aantal MKB-bedrijven­–  was het verkrijgen van werkkapitaal het doel van de financiering.

Ondernemingsfinanciering komt in twee basisvormen: risicodragend Eigen Vermogen en Vreemd Vermogen in de vorm van krediet. De tweedeling is niet strikt, er zijn hybride (‘mezzanine’) tussenvormen, zoals converteerbare leningen. Risicodragend vermogen gaat gepaard gaat met zeggenschap voor de vermogensverschaffer. Er is een wezenlijk onderscheid tussen intern eigen vermogen (de inbreng van de ondernemer(s) zelf en ingehouden winsten) en extern eigen vermogen: stortingen van externe investeerders, onderhands of via de beurs. Naast het type financiering is de looptijd belangrijk. Werkkapitaal heeft een korte doorlooptijd, investeringen vergen een langere adem. In de regel bestaat er evenwicht tussen de looptijd van de financiering en die van de bestemming.

Voorkeur voor intern eigen vermogen

Autonomie en de ambitie om zelf van de onderneming een succes te maken zijn belangrijke drijfveren voor ondernemers. Ze hebben daarom veelal een voorkeur voor financiering met intern eigen vermogen. Dat leidt niet tot financiële verplichtingen aan derden en niet tot verdunning van eigendom – en van zeggenschap. Als de vermogensvraag groter is dan het beschikbaar intern eigen vermogen, kiezen de meeste ondernemer voor leningen, van de bank of bij andere partijen. Pas daarna komen externe investeerders in beeld. Deze voorkeursvolgorde staat te boek als de pecking order theory van Myers en Majluf (1984). De theorie van Myers en Majluf geldt ook in Nederland. Bij de oriëntatie op externe financiering kijkt meer dan tachtig procent van de MKB-bedrijven naar vormen van krediet. Slechts een minderheid zoekt naar externe risico-investeerders.

Knelpunten in de MKB-financiering

Van de onderhandse financiering van het Nederlands bedrijfsleven is negentig procent afkomstig van de bank, goeddeels op kredietbasis. Toch kan niet iedereen bij de bank terecht. Starters zonder track record hebben weinig zekerheden, en kloppen daarom vaak vergeefs aan bij de bank.

DNB (2014) stelt dat de financiering van werkkapitaal bij het MKB problematisch is. Het MKB heeft vooral behoefte aan werkkapitaal, en daarvan kunnen kredietverschaffers het risico moeilijk beoordelen.

De geringe omvang van het eigen vermogen is een belangrijke beperkende factor voor MKB-kredietverlening (DNB, 2014). Lenen op basis van onderpand is mogelijk, maar het belangrijkste onderpand, onroerend goed is na 2009 sterk in waarde verminderd. Dienstverleners hebben relatief weinig kapitaalgoederen, en hebben daarmee ook minder mogelijkheden om bankleningen te borgen.

De Borgstelling MKB Kredieten (BMKB) is een succesvolle garantstellingsregeling van de overheid, om deze nood te lenigen, en de leencapaciteit van het MKB bij de banken te versterken. Maar wie niet kan lenen, is aangewezen op het aantrekken van eigen vermogen. Daarvoor bestaat echter, in de woorden van DNB (2014), geen markt in Nederland.

Alternatieven voor bancair krediet

ACM (2015), Treur & Smid (2014), Treur & Van der Hei (2016) bespreken alternatieve financieringsbronnen, zowel voor krediet als voor risicodragend vermogen. De conclusie luidt dat het landschap weliswaar divers is, maar dat de totale omvang van de alternatieve vormen beperkt is vergeleken met de 280 miljard euro aan bancaire financiering.

De beschikbaarheid van alternatieven hangt onder andere af van het oogmerk van de financiering, de mogelijkheid van zekerheidsstellingen en de rendementsverwachtingen.  Investeerders en kredietverschaffers verschillen in de waardering van risico en rendement. Voor kredietverschaffers bestaat de opbrengt van een lening uit rente. Bij een faillissement oefenen ze rechten uit op de waarde van de boedel. Voor risico-investeerders bestaat het rendement uit dividend en/of waardestijging bij verkoop. Bij een faillissement zijn ze hun geld kwijt. Het neerwaartse risico behelst voor beide partijen maximaal het bedrag dat ze hebben ingebracht. Waar kredietverschaffers nooit méér verdienen dan de rente, is er voor investeerders in principe geen limiet aan de waardestijging: the sky is the limit. Kredietverschaffers hebben daarom een voorkeur voor projecten of bedrijven met een laag risico-rendementprofiel. Investeerders zijn –binnen grenzen– meer geïnteresseerd in projecten met een hoge risico-rendementverhouding. Het doel van de financiering bepaalt zodoende mede wat voor financiering gehaald kan worden.

Leasing en handelskrediet

Lease staat voor een verzameling arrangementen waarbij een financier bedrijfsmiddelen tegen betaling ter beschikking stelt aan een bedrijf. Afspraken over economische eigendom (wie betaalt het onderhoud, wie draagt de kosten van waardevermindering) bepalen de vorm van de lease: financieel of operationeel. Huurkoop en koop op afbetaling zijn bijzondere vormen van leasing. Lease is vooral belangrijk voor de financiering van auto’s en machines. Leasing is financiering voor de middellange termijn, met een looptijd van circa vier jaar.

Leasemaatschappijen dragen substantieel bij aan het financieringsaanbod van het Nederlandse bedrijfsleven: in 2016 rijden er ongeveer 750.000 zakelijke leaseauto’s rond, met een gezamenlijke cataloguswaarde van ruim 16 miljard euro. De waarde van geleaste bedrijfsmidddelen (equipment leasing) 5,5 miljard euro. De beloopt Vereniging van Nederlandse Autoleasemaatschappijen (VNA) is de brancheorganisatie van autoleasemaatschappijen. De Nederlandse Vereniging van Leasemaatschappijen (NVL) verenigt de leasemaatschappijen voor bedrijfsmiddelen.

Factoring is een vorm van debiteurenfinanciering, waarbij de factormaatschappij (veelal een dochtermaatschappijen van een bank) tegen een vergoeding facturisatie en inning overneemt, en daarmee ook het debiteurenrisico. De onderneming beschikt daarmee zelf direct over zijn geld. De fondsen van factormaatschappijen belopen ongeveer vier miljard euro, een bedrag dat met een korte looptijd wordt ingezet: per jaar wordt voor circa in totaal 65 miljard aan omzet voorgeschoten. De Factoring & Asset based financing Association Netherlands is de brancheorganisatie van factormaatschappijen.

Familie en vrienden

De meeste starters kunnen banken of andere instellingen niet voldoende zekerheid bieden voor een lening. Ze zijn voor extern geld aangewezen op het eigen netwerk van familie en vrienden (F&F luidt de Engelse afkorting), die zowel met leningen als met aandelenparticipatie bijspringen. Vertrouwen is een sleutelwoord voor deze vorm van financiering. Leningen via het F&F-netwerk worden veelal verschaft tegen soepele voorwaarden, met een hoog risico voor de kredietverschaffer. (Daarom spreekt de Amerikaanse literatuur van family, friends and fools.) F&F-aandelenparticipatie is van beperkte omvang, waardoor het eigendom van de onderneming niet verdund wordt. F&F-aandeelhouders kunnen een belemmering zijn bij verdere financiering, bijvoorbeeld als er grotere, professionele aandeelhouders moeten worden aangetrokken.

Kredietunies

Nederland telt enkele tientallen kredietunies, op coöperatieve basis. Ze zijn verenigd in de koepelorganisaties  Vereniging Samenwerkende Kredietunies (VSK) zijn Kredietunie Nederland (VKN). Het volume is beperkt, kredietverlening beloopt minder dan € 10 mln.

Crowdfunding

Crowdfunding is een moderne vorm van financieren, waarbij bedrijven geld ophalen bij in principe onbekende particulieren. Het contact wordt gelegd via crowdfunding platforms, waarvan er in Nederland bijna zestig bij de AFM geregistreerd staan. Hoewel crowdfunding sterk groeit, blijft het in omvang verwaarloosbaar vergeleken met andere financieringsbronnen.  Crowdfunding kan verschillende vormen aannemen. Voor bedrijfsmatige activiteiten zijn leningen het belangrijkst. Ook aandelen en converteerbare leningen komen voor, maar op zeer kleine schaal.

Crowdfunding is voor een deel ideëel gedreven, en minder door rendements- en zekerheidsoverwegingen. Toezichthouder AFM wijst op de relatief hoge risico’s van het systeem. Doordat direct contact tussen kredietverschaffers en bedrijven ontbreekt, zijn kredietverschaffers aangewezen op indirecte monitoring, via de accountant of vergelijkbare bronnen. Daarnaast is crowdfunding een sector in ontwikkeling, waarbinnen de instituties nog niet stevig staan. In 2016 werd in Nederland 170 miljoen euro opgehaald (Douw & Koren, 2017). Gecumuleerd over de periode 2012-2016 is dat 410 miljoen. Van de 170 miljoen in 2016 was 83 procent bestemd voor bedrijfsmatige activiteiten. 1751 ondernemers haalden geld via crowdfunding op, gemiddeld 80.500 euro per voorstel.

Stimuleringsfondsen en microkrediet

Er bestaat een veelheid aan fondsen die leningen aan ondernemingen kunnen verschaffen, veelal met geoormerkte doelstellingen en met relatief kleine bedragen. Zie SEO (2016) voor een overzicht. Qredits is een fonds dat kredieten verstrekt aan starters en MKB-ondernemingen. Qredits wordt gefinancierd door de overheid, een aantal banken en institutionele beleggers. Tussen 2009 en 2015 is ongeveer 100 miljoen aan kredieten verstrekt. Naast kredieten levert Qredits coachingstrajecten.

Diverse instellingen, zoals universiteiten en regionale samenwerkingsverbanden, hebben fondsen beschikbaar waaruit ze leningen verstrekken aan start-ups. Het gaat hier veelal om relatief kleine bedragen, met een beperkte looptijd.

Business angels

Business angels vormen de schakel tussen informele en formele investeerders. Het betreft vermogende particulieren, veelal zelf ondernemer of ondernemer geweest, die naast kapitaal ook kennis, ervaring en een netwerk inbrengen, in een één-op-één relatie met de ondernemer. Deze vorm van smart money kan van groot belang zijn bij de financiering van groei. Het European business angels network (eban) schat de markt voor business angels in Nederland op twaalf miljoen euro.

Private equity

Participatiemaatschappijen zijn de professionele vorm van de business angels. Het zijn deels dochterondernemingen van banken of institutionele beleggers. Ze leveren risicodragend vermogen en actief aandeelhouderschap aan niet-beursgenoteerde ondernemingen, bijvoorbeeld voor overname of groei. Bij investeringen in groei of startups wordt gesproken van venture capital. Investeringen door participatiemaatschappijen beginnen in de regel bij 250.000 euro.

De leden van brancheorganisatie Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP)  hebben in totaal in ongeveer 1.400 bedrijven in Nederland geïnvesteerd. In 2015 kwam komt geïnvesteerde bedrag op 3,3 miljard euro, bij 348 bedrijven. In de meerderheid gaat het om beperkte participaties, minder dan vijf miljoen euro. Private equity heeft in de regel een beperkte looptijd. Participatiemaatschappijen mikken vooral op de waardestijging van hun investeringen, die ze na een bepaalde tijd willen verzilveren.

Corporate venturing

Sommige grote bedrijven hanteren een innovatiestrategie die werknemers aanmoedigt om eigen ideeën zelf uit te werken, als een spin off van het moederbedrijf. Ze beogen de daarmee de ondernemende energie van de start-up te benutten, zonder interne schade op te lopen als het misgaat. Ze houden controle door aandelenparticipatie.

Regionale ontwikkelingsmaatschappijen

In Nederland zijn acht Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) die zich (o.a.) bezighouden met bedrijfsinvesteringen. In vijf van deze ROM’s is het ministerie van EZ aandeelhouder. Samen hebben de ROM’s ongeveer 630 miljoen euro beschikbaar. Ze investeren met risicokapitaal in innovatieve en snelgroeiende bedrijven en herstructureren vervallen bedrijfsterreinen. Daarnaast begeleiden ze ondernemers en spelen ze een rol in regionaal stimuleringsbeleid.

Beursgang

Als een bedrijf klaar is voor de beursgang, is het meestal het MKB ontgroeid. De beursgang is deels bedoeld als vermogensinjectie voor groei, maar is ook een vehikel voor vroege investeerders (oprichters, business angels, participatiemaatschappijen) om de gerealiseerde waardestijging te verzilveren. Intern eigen vermogen wordt vervangen door extern eigen vermogen. De beursgang is daarmee veelal de sluitsteen van de financieringscyclus van een succesvol bedrijf.

 

ACM (2015) Concurrentie op de markt voor MKB-financiering. Den Haag: ACM.

AFM(2014) Crowdfunding – Naar een duurzame sector, Amsterdam: AFM.

Bureau Bartels (1999) De markt voor kredietverlening aan kleine en middelgrote ondernemingen, rapport aan het Ministerie van Economische Zaken.

Wim Boonstra & Hans Groeneveld (2010) ‘Fabels en feiten over mkb-kredietverlening’ , ESB 95(4579), 118-121.

Centraal Planbureau (2014) De financiële positie van het midden- en kleinbedrijf in Nederland, Den Haag: CPB.

Centre for Strategy & Evaluation Services (2012) Evaluation of EU Member States’  Business Angel Markets and Policies, Sevenoaks (UK): CSER (annex 4).

De Nederlandsche Bank (2014) ‘Kredietverlening en bancair kapitaal’, DNB Occasional Studies 12 (3), Amsterdam: De Nederlandsche Bank.

De Nederlandsche Bank (2016) Kredietmarkten in beweging, Amsterdam: DNB.

Simon Douw & Gijsbert Koren (2017) Crowdfunding in Nederland 2016.

European business angels network (2016) European early stage market statistics 2015, Brussel: eban.

Marco Kerste et al. (2016) Evaluatie microfinanciering Qredits, Amsterdam: SEO Economisch Onderzoek.

Remco Mocking, Jan Möhlmann, Ali Palali & Sander van Veldhuizen (2016) Dependence on external finance and SME survival, Den Haag: Centraal Planbureau.

Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (2015) De Nederlandse private equity en venture capital markt in 2014, Amsterdam: NVP.

Panteia (2016) Financieringsmonitor 2016-1, Zoetermeer: Panteia.

Sociaal Economische Raad (2014) Verbreding en versterking financiering mkb, Den Haag: SER.

Leontine Treur & Theo  Smid (2015) Alternatieve financiering voor het MKB: een update, Utrecht: Rabobank.

Leontine Treur & Lisette van der Hei (2016) Diversiteit financieringslandschap neemt toe, Utrecht: Rabobank.