Open netwerken: voorwaarde voor productieve ecosystemen

Wie regionaal-economische systemen wil begrijpen en vooruit wil helpen, kan niet om het begrip ‘netwerken’ heen. Toch is de aandacht voor netwerken in beleidsmatige zin pas serieus opgepakt sinds de jaren ’90, nadat casestudies naar o.a. het succes van Silicon Valley (Saxenian 1991) wezen op de netwerken tussen ondernemers, kennisinstellingen en financiers als succesfactor in de regionale economie.

De studie van Saxenian paste in een stroom aan publicaties over succes- en faalfactoren van regionale concentraties van bedrijvigheid, die door (Porter, 1998) clusters worden genoemd, maar ook bekend staan als industrial districts (Marshall, 1890; Brusco, 1999), localized production systems (Becattini, 1990), innovative milieux (Capello, 1999) en new industrial spaces (Storper, 1992). Andere onderzoekers richtten zich o.a. op localized learning capabilities (Maskell en Malmberg, 1999) en regional innovation systems (Lundvall, 1992) (voor een kort overzicht zie o.a. Breschi en Malerba, 2005; Stam en Spigel, 2016).

In de wetenschap is lang gedebatteerd over de verschillen tussen deze concepten. Er is kritiek dat clusters geen goede definitie hebben: het zijn ‘vernetwerkte’ bedrijven verbonden aan één waardeketen, maar of ze (moeten) zijn gevestigd in een regio of een land, wordt niet duidelijk (zie bijvoorbeeld Martin en Sunley, 2005). De grand old man van de clustertheorie, Michael Porter, is hierover helder: de geografische ligging –stad, regio of land– doet minder terzake, de kern is een productief en concurrerend netwerk van toelevering en uitbesteding, met voldoende kritische massa. Industrial districts volgens de Italiaanse school (Brusco, 1999) kenmerken zich door een netwerk van mkb-bedrijven die zich sterk verbonden voelen met de eigen regio. Door de gedeelde regionale identiteit en cultuur vertrouwen producenten elkaar, waardoor ze kunnen samenwerken ondanks het feit dat ze ook concurrenten van elkaar zijn (zie Belussi en Sammarra 2010 voor een kort overzicht).

 

Netwerken om bronnen voor groei te ontsluiten

Centraal in al deze concepten staat het overdragen van kennis op alle mogelijke terreinen: formele, technologische kennis, maar vooral ook ondernemerschapskennis, nodig voor het opzetten en laten groeien van een bedrijf, de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten, weten waar de beste studenten worden opgeleid, welke relevante technologische en maatschappelijke trends opkomen, wie de handigste contactpersonen zijn voor financiering enzovoorts. Dat is geen formele kennis die gemakkelijk schriftelijk overdraagbaar is, maar zogeheten tacit knowledge, kennis verbonden aan een individu. Marshall beschreef in 1890 dat dit type informatie ‘in the air’ is, in regio’s met een hoge dichtheid aan ondernemers.

Economisch geografen en economisch sociologen openden de afgelopen twintig jaar de black box van ondernemersnetwerken. Een concentratie van ondernemers, hetzij uit dezelfde of gerelateerde sectoren (“klassieke” clusters en industrial districts), hetzij uit uiteenlopende sectoren (zoals in grootstedelijke gemengde economieën), zorgt voor learning, sharing en matching. Een voordeel van een hoge dichtheid van economische actoren (agglomeratievorming) is gelegen in kennis-spillovers.

Ondernemers en andere spelers in het systeem (onderwijs- en kennisinstellingen, overheden) kunnen ervoor kiezen om als ‘stand alone’-organisatie te opereren of de samenwerking op te zoeken. Allianties of netwerken in alle variaties – tijdelijk, incidenteel of structureel – zorgen voor een hogere effectiviteit van de organisatie. Ambitieuze ondernemers kunnen zo verschillende bronnen aanboren om een match te vinden met aanvullende kennis, nieuwe ideeën, goed personeel en passende financiers om hun ambities te realiseren. Dat is het centrale doel als een ondernemer een lokale, regionale of (inter)nationale alliantie aangaat: complementaire bronnen vinden en binden, die het bedrijf niet zelf in huis heeft (Nooteboom 1999; Hulsink et al. 2004). Daarmee neemt het concurrentievermogen van een onderneming toe (Audretsch en Feldman, 1996). Als ondernemingen zich in een netwerk bewegen, vervaagt de scheiding tussen individuele onderneming en externe omgeving: er ontstaat een interactiegebied, waarin de omgeving als bron wordt benut (Saxenian 1991; Belussi en Sammarra, 2010).

Het is precies dit interactiegebied dat in ecosystemen voor ondernemerschap centraal staat. Volgens het veelgelezen boek van Brad Feld (Feld, 2912) staan individuele, startende ondernemers aan de basis van een florerend ecosysteem: zij zijn de leaders in het netwerk. Organisaties zoals kapitaalverstrekkers, dienstverleners, coördinerende organen, universiteiten, onderwijsinstellingen, grote bedrijven en overheden zijn ‘slechts’ feeders, net als mentoren. Een goede interactie tussen leaders en feeders leidt tot productief ondernemerschap.

 

Van ruimtelijke economie naar regionale ecosystemen

Tot pakweg 1985 werd het denken over regionale economie gedomineerd door een neoklassieke kostenbenadering: bedrijven vestigen zich daar waar de transportkosten het laagste zijn, evenals kosten voor arbeid en marktontsluiting (voor een kort overzicht Torre en Wallet, 2014). Binnen deze school worden kennis-spillovers in concentraties van bedrijvigheid wel aanwezig verondersteld, maar niet nader geduid of gekwantificeerd; relaties bestaan uit markttransacties. Nobelprijswinnaar Douglass North was zijn tijd vooruit toen hij met Lance Davis in 1970 een artikel publiceerde over de historische ontwikkeling van instituties die meebewegen met technologie en marktkansen; die co-evolutie zorgt voor economische groei (Davis en North, 1970). In later werk bleef hij wijzen op het gebrek aan aandacht voor formele en informele instituties – waaronder samenwerking – in neoklassieke groeitheorie.

Met de hiervoor beschreven, opkomende aandacht voor regionale netwerken sloeg ook de analyse van regionale economieën een nieuwe weg in: de relational turn. Het artikel ‘Economic action and social structure: the problem of embeddedness’ van de aan Stanford verbonden economisch socioloog Mark Granovetter uit 1985 wordt als een keerpunt in het denken gezien. Hij wijst er op dat ook het gedrag van actoren in de economie is ingebed in sociale en institutionele structuren. De neoklassieke benadering negeert sociale en institutionele factoren (‘undersocialized’), die volgens Granovetter juist essentieel zijn bij de totstandkoming van transacties. Gedrag van economische actoren dat vanuit neoklassiek oogpunt irrationeel lijkt, kan juist zeer rationeel zijn wanneer dit wordt bekeken vanuit de inbedding in sociale structuren en de daar geldende normen. Deze inbedding biedt een sterke identiteit, een hoog niveau aan onderling vertrouwen en daaruit voortkomend intensieve samenwerking (Belussi en Sammarra, 2010). De regionale cultuur, economische geschiedenis en historisch gegroeide netwerken -samengevat: instituties- spelen ook een rol in het ontstaan en de effectiviteit van ondernemerschapsecosystemen (Stam en Spigel, 2016; Stam et al., 2016).

 

Groeiende twijfel over effectiviteit regionale netwerken

Vanaf 1990 kwam er een stroom publicaties op gang over regionale concentraties van bedrijvigheid waar geografische nabijheid centraal stond. In 2005 publiceerde de Utrechtse hoogleraar Ron Boschma een kritisch artikel waarin hij betoogt dat geografische nabijheid op zich geen voldoende of zelfs maar noodzakelijke voorwaarde is voor innovatie en concurrentiekracht. Naast geografische nabijheid kunnen ook cognitieve, organisatorische, sociale en institutionele nabijheid van invloed zijn. Cognitieve nabijheid zegt iets over de mate waarin mensen en organisaties elkaar begrijpen, en op die manier ook van elkaar kunnen leren. Als de cognitieve afstand te groot is, blijven partijen langs elkaar heen praten (zie ook Nooteboom 1999). Institutionele nabijheid zegt iets over de mate waarin mensen en organisaties normen delen, waardoor ze elkaar eerder vertrouwen om kennis te delen en open te zijn over kennisbehoeften. Een te grote institutionele nabijheid leidt volgens Boschma tot een lock-in: het afserveren van nieuwe ideeën omdat de partijen tevreden zijn met de wijze waarop het nu gaat. Ook sociale nabijheid – de mate waarin economische en kennisrelaties samenvallen met sociale relaties – kan bijdragen aan een lock-in, waarin geen ruimte meer is voor tegendraadse ideeën en inzichten – die voor innovatie zo belangrijk zijn. Sociale, cognitieve en institutionele nabijheid lijken belangrijker voor innovatief vermogen dan geografische nabijheid, tot het kantelpunt waarop de normen en overtuigingen uit de eigen regio of de eigen bedrijfstak een knellend keurslijf worden, dat vernieuwing belemmert. Netwerken moeten dus open zijn, zowel in geografische zin als in termen van kennis, opvattingen, organisatievormen en contacten.

Vóór Boschma hadden Bathelt, Malmberg en Maskell (2004) al gepleit voor een evenwicht tussen local buzz en global pipelines: op alle continenten wordt nieuwe kennis ontwikkeld, en daar willen bedrijven toegang toe krijgen. Niet alle bedrijven in een regio of een cluster hebben echter de schaal om dergelijke internationale kennisnetwerken te managen. Er is dan ook een samenspel in een regio nodig tussen grotere bedrijven met hun internationale kennisrelaties en kleinere bedrijven, die van deze kennis gebruik kunnen maken.

Het Ruimtelijk Planbureau onderzocht voor twee sectoren in Nederland de verhouding tussen internationale en regionale kenniscontacten en de effecten ervan op het innovatievermogen van een onderneming (Weterings en Ponds, 2007). Niet-regionale kenniscontacten zijn volgens de auteurs relevanter voor het oplossen van technologische en organisatorische vraagstukken dan regionale contacten. Regionale kenniscontacten zijn vluchtiger. De twee onderzochte sectoren, ICT en biotechnologie, vertonen grote verschillen waar het gaat om de waarde van regionale kenniscontacten: die is, door de nauwe relaties met universiteiten, voor bedrijven in de biotechnologie groter dan voor de ICT-sector.

Op basis van een omvangrijk onderzoek onder meer dan 1.500 Noorse bedrijven, legden ook Fitjar en Rodríguez-Pose (2014) een relatie tussen regionale en internationale netwerken enerzijds en innovatie anderzijds. De schaal en het open karakter van het land, in combinatie met de high-trust samenleving. maken Noorwegen een goede proeftuin voor dit onderzoek. De resultaten laten zien dat ook in een dergelijke omgeving innovatie vooral wordt gedreven door internationale kennisnetwerken. Bedrijven met een brede waaier aan internationale partners zijn het meest innovatief, zowel in product- als procesinnovatie en zowel voor radicale als incrementele innovatie. Bedrijven met internationale relaties hebben meer kans om te innoveren dan bedrijven met lokale of regionale contacten. Dat betekent ook dat kennis die internationaal opererende bedrijven binnenhalen, zich niet ‘vanzelf’ verspreidt in de regio. Interessant is dat in dit onderzoek ook het effect wordt geanalyseerd van houding en gedrag van individuele managers op innovatie. Managers met een bredere blik hebben meer internationale netwerken; degenen die vertrouwen op regionale netwerken, beperken zich tot deze of hooguit nationale netwerken.

 

Bijzondere netwerken: van triple helix naar quadruple helix

Een bijzondere vorm van netwerk is de Triple Helix: de wisselwerking tussen kennisinstellingen (met name universiteiten), bedrijven en regionale overheden. Triple Helix (‘gouden driehoek’) is een model uit de wereld van het DNA-onderzoek (Pauling, Crick en Watson). De term in de context van regionale economieën is in 1996 geïntroduceerd door Loet Leydersdorff & Henry Etzkowitz, en in de jaren daarna door vele auteurs opgepakt en uitgewerkt. Etzkowitz (2012) is een historische studie naar de rol van het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in de economische ontwikkeling van Boston. Het MIT streefde vanaf de oprichting in 1861 naar een actieve samenwerking met het plaatselijk bedrijfsleven, bijvoorbeeld in de vorm van gezamenlijk onderzoek, en bevorderde ook het oprichten van nieuwe bedrijven om de vrucht van de wetenschappelijke arbeid te vermarkten. Het MIT wordt als voorbeeld gezien van andere universiteiten, zoals Stanford (als springplank voor Silicon Valley) en de Technische Universiteit Eindhoven (voor een overzicht van de triple helix benadering zie Fuerlinger, Fandl & Funke 2015).

Universiteiten (met name de technische) gelden als lanceerplatform voor spin-offs, en als uitwisselingplatform voor actuele kennis. De aanwezigheid van een toonaangevende kennisinstelling is echter niet een voldoende voorwaarde voor een succesvol cluster, zoals uit de case ‘Wageningen’ naar voren komt. Dankbaar & Vissers (2012) constateren dat hier vestiging plaatsvindt van onderzoeksafdelingen van bestaande bedrijven, maar dat er weinig spin-offs vanuit de universiteit ontstaan. Deels is het biotechnologisch onderzoek dermate gespecialiseerd dat het weinig ruimte biedt voor synergie of het vormen van nieuwe combinaties. Ook is er sprake van veel contractonderzoek, met weinig ruimte voor ongebonden creativiteit. Een andere oorzaak is het beleid van de WUR om IP-rechten te claimen, waardoor ondernemerschap niet aangemoedigd wordt.

Als tussenstappen naar een geïntegreerde visie op ecosystemen pleiten diverse auteurs voor uitbreiding van de triple helix met meer soorten partijen. Fuerlinger, Fandl & Funke (2015) benadrukken het belang van de publieke infrastructuur. Wilson (2012) benadrukt de rol van not-for-profits als smeerolie voor regionale netwerken. Hij spreekt van “the quad”, als de bundeling van triple helix en het maatschappelijk middenveld. Van Hemert, Masurel en Nijkamp (2014) leggen de nadruk op het belang van banken in het regionale systeem en in het innovatiebeleid. Zonder externe financiers geen bedrijvigheid, geen ecosysteem en geen innovatie. Vanuit de lineaire innovatiebenadering (technology-push) is inmiddels de shift gemaakt naar een interactieve, brede innovatiebenadering, met een grotere rol voor consumenten en ondernemers. Deze benadering wordt aangeduid als quadruple helix (Arnkil et al, 2010).

 

Economische netwerken en beleid

Clusters hebben zich als regionaal-economisch concept stevig genesteld in het regionaal-economisch beleid. De EU plaatst het clusterbeleid in het perspectief van het stimuleringsbeleid voor het MKB (COSME). De OECD publiceerde in 2010 een korte ‘handleiding‘ over clusterbeleid met onder andere een opsomming van succes- en faalfactoren. Regionale netwerken tussen economische actoren om de vinger aan de pols te houden van markten en kennisbehoeften, zijn een kernelement: het zijn ‘lokale knooppunten in mondiale netwerken’. De OECD wijst erop dat er zeer veel verschillende typen clusters bestaan: gebouwd op uiteenlopende economische structuren, en in verschillende stadia van hun levenscyclus. De behoefte aan samenwerking kan dan ook in ieder cluster anders zijn. De OECD ziet gesloten regionale netwerken als risicofactor: te sterke specialisatie / te weinig differentiatie, te weinig oog voor nieuwe technologieën en businessmodellen, en een te grote bestuurlijke focus op de eigen regio belemmeren vernieuwing.

Het stimuleren van samenwerking (in allerlei vormen tussen ondernemers, bedrijven, kennisinstellingen, kennis- en onderwijsinstellingen, overheden etc) is onderdeel van elk clusterbeleid. De effectiviteit van deze netwerkactiviteiten is niet altijd goed te monitoren. Uit een analyse van clusterbeleid in diverse landen (Nesta, 2012) komt een beeld naar voren dat samenwerkingsverbanden wel door beleid kunnen worden gestimuleerd. Dat deze regionale samenwerking echter bijdraagt aan het uiteindelijke doel -meer en beter ondernemerschap en meer innovatie- is niet aantoonbaar. Net als in het onderzoek van Fitjar en Rodríguez-Pose (2014) wordt gewezen op de noodzakelijke kwaliteit van individuen, in dit geval clustermanagers die optreden als spinnen-in-het-web of makelaars van de regionale netwerken. Ook in de Nederlandse context wordt erop gewezen dat effectief clusterbeleid (of samenwerking in brede zin) niet kan slagen zonder krachtige individuen die over de grenzen van hun eigen organisatie en sector heen de samenwerking bevorderen (Ebbekink et al., 2015). In de wetenschappelijke literatuur worden zij aangeduid als ‘brokers’ en ‘boundary spanners’.

In de wetenschap en in het beleid is er een tweedeling tussen een place-neutral en en place-based benadering. Place-neutral beleid leunt sterk op het concept van (regio-onafhankelijke) agglomeratievoordelen, waarbij grootstedelijke agglomeraties de meeste economische groei zullen genereren met hun grootschalige arbeidsmarkt, gespecialiseerde toeleveranciers en kennis-spillovers. Place-based beleid gaat uit van regionale economische karakteristieken en concurrentiekracht die mede leunt op een historisch gegroeid, regionaal weefsel van ervaren ondernemers en startups, tacit kennis en gespecialiseerde kennis- en onderwijsorganisaties (Dogaru, van Oort en Thissen, 2014). De analyses van Dogaru et al. leiden tot de conclusie dat zowel grootstedelijke agglomeraties als regio’s met middelgrote steden bijdragen aan de economie: de grootstedelijke agglomeraties door de schaal van hun markt en de diversiteit van hun economie, de regio’s met middelgrote steden door hun R&D-intensiteit en hoog opleidingsniveau. De door de EU geadopteerde smart specialisation strategy gaat ook uit van regionale karakteristieken. Deze vormen de basis van samenwerking tussen bedrijven, onderzoek en onderwijs gericht op innovatie en economische groei. Een van de founding fathers van het concept, Dominique Foray, wijst onophoudelijk op de centrale rol van ambitieuze en veranderingsgezinde ondernemers. Hun entrepreneurial discovery omvat niet alleen de toegang tot wetenschappelijke kennis en technologie maar juist ook de ontsluiting van markten, inzicht in concurrenten en het individuele talent om kapitaal en personeel bij elkaar te brengen (Foray et al., 2011).

Het managen van samenwerkingsverbanden binnen en buiten de regio is een complex governancevraagstuk (Klijn en Koppenjan, 2016). Een top-down-benadering is niet effectief, omdat een groot aantal actoren met elkaar moet samenwerken om resultaat te bereiken. Iedere partij heeft zijn eigen perceptie van het vraagstuk, zijn eigen oplossing, belangen, tijdsperspectief en cultuur. Ook spelen hier de ervaring met en cultuur van samenwerken een rol. In sommige regio’s ontstaat samenwerking van onderop of zijn partijen al zeer bedreven in effectieve samenwerking (Stam et al., 2016). In sommige contexten – bijvoorbeeld bij startups – kan gemanagede samenwerking contraproductief werken (Feld. 2012).

 

Referenties

Arnkil, R., A. Järvensivu, P. Koski, T. Piirainen (2010): Exploring Quadruple Helix. Outlining user-oriented innovation models. Tampere: University of Tampere

Bathelt, H., A. Malmberg, P. Maskell (2004): Clusters and Knowledge: Local buzz, global pipelines and the process of knowledge creation. Progress in Human Geography 28 (1): 31-56

Belussi, F., A. Sammarra (2010): Business Networks in Clusters and Industrial Districts, Abingdon: Routledge

Boschma, R. (2005): Proximity and Innovation: A Critical Assessment, Regional Studies, Vol. 39 (1): 61-74

Breschi, S., F. Malerba (eds) (2005): Clusters, networks and innovation, Oxford: Oxford University Press

Dankbaar, B., G. Visser (2012): Clusterabsentie in de plantentechnologie, Jaarboek Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2012,  209-217.

Davis, L., D. North (1970): Instituional Change and American Economic Growth: A First Stpe Towards a Theory of Institutional Innovation. The Journal of Economic History, Vol. 30 (1): 131-149

Dogaru, T., F. van Oort, M. Thissen (2014): Economic development, place-based development strategies and the conceptualization of proximity in European urban regions. In: Torre, A., F. Wallet (eds), 2014, Regional Development and Proximity Relations, Northampton: Edward Elgar

Ebbekink, M., M. Hoogerbrugge, A. Lagendijk, J. Kerkhof (2015): Cluster governance. Lessen voor clusters in Nederland. Den Haag: Platform31

Henry Etzkowitz, 2002, MIT and the rise of entrepreneurial science, Londen: Routledge.

Patricia van Hemert, Enno Masurel & Peter Nijkamp, 2015, ‘Zonder financiële instellingen geen optimale innovatie’,  Jaarboek Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde 2015, 79-84

Feld, B. (2012): Startup Communities: Building an Entrepreneurial Ecosystem in Your City, Hoboken: John Wiley & Sons

Fitjar, R.D., A. Rodíguez-Pose (2014): When local interaction does not suffice: sources of firm innovation in urban Norway. In: Torre, A., F. Wallet (eds), 2014, Regional Development and Proximity Relations, Northampton: Edward Elgar

Foray, D., P.A. David, B.H. Hall (2011): Smart Specialization. From academic idea to political instrument, the suprising career of a concept and the difficulties in its implementation. MTEI Working Paper https://infoscience.epfl.ch/record/170252/files/MTEI-WP-2011-001-Foray_David_Hall.pdf

Georg Fuerlinger, Ulrich Fandl & Thomas Funke, 2015, ‘The role of the state in the entrepreneurship ecosystem: insights from Germany’, Triple Helix 2: 3. doi:10.1186/s40604-014-0015-9.

Granovetter, M. (1985): Economic Action and Social Structure: The Problem of Embeddedness, The American Journal of Sociology, Vol. 91 (3): 481-510

Hulsink, W., D. Manuel, E. Stam (2004): Ondernemen in netwerken, Assen: Koninklijke Van Gorcum

Klijn, E.H., J. Koppenjan (2016): Governance networks in the public sector. Abingdon: Routledge

Loet Leydersdorff & Henry Etzkowitz, 1996, ‘Emergence of a Triple Helix of university—industry—government relations’, Science and Public Policy (1996) 23 (5), 279-286.

Martin, R., P. Sunley (2005): Deconstructing Clusters: Chaotic Concept or Policy Panacea? In: Breschi, S., F. Malerba (eds) (2005): Clusters, networks and innovation, Oxford: Oxford University Press

Nooteboom, B. (1999): Interfirm Alliances: Analysis and Design. New York: Routledge

OECD (2010), Cluster policies, OECD Innovation Policy Platform. http://www.oecd.org/innovation/policyplatform/48137710.pdf

Saxenian, A. (1991): The origins and dynamics of production networks in Silicon Valley, Research Policy 20, 423-437

Stam, E., A.G.L. Romme, M. Roso, J.P. van den Toren, B.T. van der Starre (2016): Knowledge triangles in the Netherlands: an entrepreneurial ecosystem approach. Parijs: OECD https://www.researchgate.net/publication/301613123_Knowledge_Triangles_in_the_Netherlands_An_Entrepreneurial_Ecosystem_Approach

Stam, E., B. Spigel (2016): Entrepreneurial Ecosystems. USE Discussion Paper Series nr 16-13. http://www.uu.nl/en/organisation/utrecht-university-school-of-economics-use/research/discussion-papers/discussion-papers-2016

Torre, A., F. Wallet (eds) (2014): Regional Development and Proximity Relations, Northampton: Edward Elgar

Uyarra, E., R. Ramlogan (2012): The Effects of Cluster policy on Innovation. Nesta Working Paper 12/05. Londen: Nesta

Weterings, A., R. Ponds, 2007, Regionale kennisnetwerken en innovatie. Den Haag: Ruimtelijk Planbureau